De Hoge Raad heeft op 23 december 2016 een arrest gewezen dat van belang is voor de wijze waarop in ontslagzaken wordt geprocedeerd.

In 2015 is de Wet werk en zekerheid (Wwz) ingevoerd. De bedoeling van de wet was om de ontslagprocedure eenvoudiger te maken, maar dat is niet gelukt. De nieuwe procedure is zelfs ingewikkelder geworden en kan bovendien (veel) langer duren vanwege de mogelijkheid om hoger beroep en cassatie in te stellen. Tot 2015 kon dat niet. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst (of niet) en kende een vergoeding toe (of niet) en daar moesten partijen het mee doen.

Er is nu een ander belangrijk verschil bij gekomen. Voorheen bepaalde de wet dat het bewijsrecht dat in ‘normale’ civiele rechtszaken geldt, niet van toepassing was in ontbindingszaken. Dat betekende dat de kantonrechter een grote mate van vrijheid toekwam bij de beoordeling van de standpunten van partijen en de wijze waarop zij die (wel of niet) onderbouwden. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat dit is veranderd vanwege de veranderingen die de Wwz in de ontslagprocedure heeft doorgevoerd.

Het normale bewijsrecht is dus onverkort van toepassing op de ontslagprocedure bij de kantonrechter. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop de procedure verloopt. Kon de kantonrechter vroeger nog menen dat een bepaald standpunt van een van de procespartijen ‘voldoende aannemelijk’ was, tegenwoordig moeten de juridisch relevante feiten worden gesteld en bewezen als de andere partijen deze betwist. Het kan nu dus zomaar gebeuren dat getuigenverhoren moeten plaatsvinden in een ontslagprocedure.

Een langere, complexere procedure betekent hogere kosten van rechtsbijstand. De bewerkelijkheid van ontslagzaken zal toenemen en de verlening van rechtsbijstand zal nog meer dan vroeger een taak zijn voor specialisten. Kortom, nog meer redenen om te proberen een gerechtelijke procedure te voorkomen en een minnelijke oplossing te zoeken.